maandag 30 juni 2014

Folle

'Tiens, là, toi. Il faut que je te parle.'
Ik had onraad moeten ruiken maar reageerde argeloos met het beleefde 'ja?'- geluidje dat ik reserveer voor fondsenwervers en andere onheilsprofeten.
Een vergissing, merkte ik algauw. De lange brede man wilde geen fondsen werven. Zijn doel was wel om mij te bekeren, om met hém mee te gaan, eerst op café zodat we elkaar beter konden leren kennen, maar dat drankje konden we ook overslaan, ik was ook welkom bij hem thuis om hem nòg beter te leren kennen, als ik begreep wat hij bedoelde.
Doorstappen leek me een goed idee, me laten opslokken door het drukke Parijse metrostation waar ik ronddwaalde. Maar ik bleef het zachte geruis van zijn wijde hiphoppersoutfit horen. Af en toe blies hij lucht door een een spleetje in zijn tanden. 'Tsjiiit', klonk het. 'Allez, ma belle.'
Hij greep mijn arm vast, die ik van me afschudde. Ik bleef doorstappen, steeds sneller, in de richting van de 'sortie'- bordjes - maar waar was ik eigenlijk? Die doelloosheid wist ik ondanks mijn haastige pas niet goed te verbergen. 'Tu vas où, ma belle? Tu ne connais pas Paris?' Ik moest hem maar volgen, hij kon me zo veel leuke plekken tonen! We zouden het zo fijn hebben samen.
Helder denken werd een beetje moeilijk, maar ik voelde hoe nerveus ik was. Hij was veel te dichtbij, langer dan tien minuten al zag ik op de klok van mijn telefoon die ik uit mijn tas opgroef. Ik had het koud maar voelde een zweetdruppel uit mijn oksel lopen, traag langs de binnenkant van mijn blote bovenarm. De broodjeszaak die ik daarnet al was voorbij gelopen, verscheen nu plots aan mijn rechterkant. Dat betekende dat ik rondcirkelde in die enorme ondergrondse ruimte, als een zottin. Geen wonder dat hij achter me aan bleef stappen.
'Tsjiiit.'
'Je vais crier,' zei ik. Krijsen leek plots en zomaar een goed idee maar hij lachte me uit. Dat gaf de doorslag. Ik hield halt in een brede gang van Châtelet, draaide me naar hem toe, balde mijn vuisten als een kwade kleuter en gilde tot mijn keel rasperig aanvoelde.

Mensen zouden me bezorgd aanraken en vragen of ik hulp nodig had, dacht ik tijdens die schreeuw die eindeloos aanvoelde. Dat viel dik tegen. 'Elle est folle!', hoorde ik een oude vrouw meewarig zeggen tegen haar vriendin. Ze keken me afkeurend aan. Dat pikte ik niet, ik holde hen achterna. 'Ik ben niet gek!' riep ik, niet beseffend dat ook echte gekken dat doorgaans even stellig beweren.
'Die man achtervolgt me.' Ik wees naar mijn kwelgeest, die me nu niet meer volgde maar verbijsterd stond te lachen.
'C'est vrai? En je kent hem niet?'
'Ik heb hem nog nooit gezien! Hij loopt al een kwartier achter me aan, en ik vind de uitgang niet.'
Nu leken ze wel overtuigd van mijn geestelijke gezondheid. 'Suivez-nous alors,' zei ze. Snel stapte ik met hen mee, in de richting van het daglicht.
'Pardon hoor,' zei ze nog, 'maar Parijs zit vol gekken.'

Met dank aan: http://www.deburen.eu/nl/parijs





vrijdag 27 juni 2014

Parijs.

Ik vertrek zondag naar Parijs. Samen met een troep jonge mensen, we reizen met de trein en slapen op piepkleine kamertjes in een groot, oud gebouw. Klinkt een beetje als een zomerkamp.
Ik zit op de grond, tussen een half ingepakte tas vol kleren, tubes zonnecrème en een tekort aan gewassen ondergoed, en ik denk terug aan de vorige en enige keer dat ik op zomerkamp vertrok.

Vijftien was ik en ik schreef dagboeken vol over de grote wereld vol barbaren en jongens die me niet wilden kussen. Op kamp gaan associeerde ik met overenthousiaste monitoren, tjokvolle en muffige slaapzalen, al te vrolijke stapliederen en een roedel pubers in wiens hiërarchie voor mij geen plaats zou zijn. Toch vertrok ik die zomer naar Spanje, met de Christelijke Mutualiteiten. Elk jaar in september kwamen mijn klasgenoten terug met wilde verhalen over hun CM-zomer, ze vertelden over spannende droppings, eerste pintjes en gewriemel in het donker, knappe monitoren, fuiven en frietjes. Ook de puisterige types die op school niet populair waren, hadden er de tijd van hun leven en dat stelde me gerust. Misschien moest ik me ook maar inschrijven, misschien zou ik daar, in het verre Spanje, wel gekust worden door een jongen uit een andere provincie die niet wist hoe ik op school soms mijn boterhammen opat in de toiletten omdat ik geen zin had in de hortende gesprekken met de weinige tafelgenoten waaruit iemand als ik kon kiezen.

Mijn ouders waren opgelucht dat mijn sociale ontwikkeling dan toch op gang was gekomen en ik stapte de bus op met hoge verwachtingen. Die al meteen een beetje genekt werden: er schalden lollige liedjes door de bus en iedereen leek ze te kennen. Om redenen die ik nu ongetwijfeld pretentieus zou vinden wilde ik absoluut niet meezingen. Die liedjes zetten mooi de toon voor de komende twee weken. Ontkomen aan de groepsactiviteiten werd een doel op zich, een sport die ik samen met een ander meisje tot in de perfectie onder de knie kreeg. Dat hoopten we toch, maar dat ook onze gewiekstheid een illusie was, werd pijnlijk duidelijk toen twee kwade monitoren met zaklampen ons wegsleurden uit de bar van het dorpje dat aan ons kampement grensde. We hoorden de Spanjaarden in de bar, spannende, harige mannen die minstens twintig waren, gniffelen. Onaangeroerd stonden twee witte Martini's op de toog, in onze ogen het toppunt van wereldwijsheid.

Godzijdank is mijn minachting voor groepsactiviteiten gemilderd en ga ik nu naar Parijs om precies te doen wat de stad me ingeeft, in het gezelschap van mensen met soortgelijke plannen.



maandag 16 juni 2014

Godenkind

I.

Het komt zoals gewoonlijk onverhoeds opzetten.
Jens haalt zijn portefeuille boven om sigaretten te betalen en de paniek beukt hem keihard in het middenrif. Hij laat de sigaretten liggen en wankelt naar buiten. Botst nog tegen de deurlijst aan en hurkt neer op de stoep, tegen een groezelige muur. De vage pislucht ruikt hij niet.

De Pakistaanse winkeleigenaar komt hem achterna gelopen, zwaaiend met zijn portefeuille. Jens neemt hem zwijgend aan, voor een bedankje ademt hij te jachtig. Hij wil zich vermannen, maar dat duurt even. Zijn brein moet begrijpen dat zijn lichaam liegt. “Alles gaat goed, alles komt goed, alles blijft goed, alles is goed. Adem. Alles..”
Dan gaat het weer. Het brein begrijpt het. Hij gaat de winkel terug binnen en koopt de sigaretten alsnog. De Pakistaan glimlacht alsof er niets aan de hand is. Het hoofd van wat waarschijnlijk zijn vrouw is, verschijnt net boven de toog. Ze staart naar een tv-schermpje, een Bollywoodfilm.
“Een prettige nacht nog, jullie,” geeft Jens zich een houding. Niemand kijkt op van het scherm.


II.

Een vrijdagavond in mei en de stad zindert van blijde verwachting. Er zal uitgegaan worden vannacht, gedanst, gedronken en gevreeën! gillen de korte rokjes van de jonge meisjes op straat.
Brillemans weet hoe hij feestjes moest geven, vindt Jens. De juiste muziek, de goede mensen en een zekere nonchalance. In heel Brillemans' appartement zijn nog geen twee dezelfde glazen te vinden. Verdomme, hij had drank moeten kopen, in de nachtwinkel. Door het woord “nachtwinkel” smaakt hij even het ijzerachtige van angst, diep in zijn mond. Hij slikt het door.
Net wanneer hij in gedachten het laatste hoofdstuk van zijn boek aan het schrijven is – in werkelijkheid heeft hij er nog vijf te gaan, maar de andere vier slaat hij voor het gemak maar over – rinkelt zijn telefoon. Het schelle geluid doet hem een beetje ineenkrimpen, de naam op het schermpje knijpt zijn longen dicht. Hij moet zich razendsnel vermannen, nu meer dan ooit. Hapt naar lucht en ademt nu belachelijk snel. Beter dan stikken, denkt hij, en neemt op.

Héé jij mannetjesdier.” de vertrouwde stem van Klara, zijn liefje. Ze loopt stage bij een Berlijnse uitgeverij.
Hé! Schoonheid! Zeg het eens.” Hij ademt nog steeds te snel maar hoopt dat het lijkt alsof hij stevig aan het wandelen is.
Alles goed,” vraagt ze.
Ja hoor, slechte verbinding. Ben op weg naar Brillemans. Hoe is het?”
Geweldig! En je boek? Soit, ik bel niet om te kletsen. Ik heb morgen vrij gekregen. Zomaar. Ik heb een vlucht geboekt. Thuis?”
Natuurlijk ben ik thuis morgen, zwoegend, ploeterend in het zweet mijns aanschijns, alleen achter mijn bureautje. En ik neem alleen maar pauze om op droog brood te knabbelen. En op u.”
Goed. Geweldig. Ik kom u mijn lichaam aanbieden, rond twee uur in de namiddag.”
Ja. Doe dat maar. Tot snel.. euh. Ik kijk er. Eh, naar uit.”

Daar is het weer, hij weet het en heeft het, alles welbeschouwd, verdiend. Jens hurkt maar alvast neer. Hij moet het maar even laten gebeuren. De hele routine: de fysieke voortekenen – snel ademen, duizeligheid, verhoogde hartslag – en dan de gruwelijke visioenen. De zekerheid van nakende verderf. Het besef dat hij gehaat zal worden. Veracht, uitgespuwd door Klara en al zijn vrienden. En dan het zelfmedelijden. Waarom hij, waarom zo'n epische straf? Voor wat hij maar mispeuterd heeft. Hij heeft zelfs niets mispeuterd. Of toch nauwelijks, en zijn intenties waren nooit slecht. Uiteindelijk haalt die idiote mantra weer de bovenhand. “Alles gaat goed, alles komt goed, alles blijft goed, alles is goed. Alles gaat goed, alles komt goed, alles...” Jens gelooft het niet, niet echt, maar het uitspreken van die woordenreeks verdooft zijn gedachten.

Hop! Op naar het feestje.


III.

De muziek schalt al uit de ramen van Brillemans' flat. Zijn echte naam is Joris Verstraete, maar die vindt hij te gewoontjes. Het gekke ronde brilletje dat hij al jaren draagt is zijn handelsmerk, zijn hele identiteit.
Jens zwaait de deur van de flat open en maakt een geweldige entree door meteen een fles wijn vast te grijpen en een brallerige toast op Brillemans uit te brengen. De rest van de gasten houdt even op met praten, drinken of dansen en toast lachend terug. Uit die erehaag van smoezelige glazen verschijnt Brillemans, met open armen Jens pletst hem een paar keer joviaal op de brede rug. Hij maakt zich snel weer los, er zijn nog meer gasten die zijn aandacht verdienen.

Hij praat en danst – met meisjes in korte rokjes, meisjes in kuise retrojurkjes en meisjes in strakke jeansbroek. Jens zuipt ook, wijn vooral, maar ook gin-tonic en wodka. De keukentafel is een woud van flessen, meegebracht door gasten die attenter zijn dan hij. Op een hoekje van de tafel ligt een klein spiegeltje. Er is dus coke, weet hij, maar vanavond niet, niet voor hem. De wazige roezige alcoholnevel, dat is wat zijn hoofd wil, niet aan de scherpe haast van coke.
Na een paar uur danst hij zelfs met een mannen, wat maakt het ook uit. Zijn komische tango, harkerig en elegant tegelijk, met zijn vriend Pieter, een biologische stadslandbouwer die bij gelegenheid mondharmonica speelt, maakt ophef. Mensen juichen en applaudisseren.

Een beetje wankel stommelt hij daarna richting keuken “effe verkoeling zoeken.” Hij hurkt voor de koelkast en contempleert de mogelijkheid zijn hoofd er maar ineens in te steken.
'Hee, auw!'
'O sorry. Ik had u niet gezien. Gek, want ge zijt mooi genoeg. Ik ben op zoek naar iets sterkers dan wijn. Weet gij waar Brillemans zijn wodka verstopt?'
Het meisje was inderdaad mooi genoeg. Ze trok misprijzend een goed gevormde wenkbrauw op, maar haalde toch een fles wodka van achter uit een kast vol conservenblikken en koekjes.
'Hier, uit de geheime voorraad. Salut!'
Ze dronk meteen van de tuit en gaf Jens de fles door. Hij veegde de flessenhals af met zijn mouw en nam ook een slok.
'Zijt ge vies van mij?' vroeg het meisje.
'Nee, nee, ik, ben gewoon...eh morgen is een belangrijke dag. Kan niet verkouden worden.'
'Aha'

'De politie! DE POLITIE'
Brillemans rent de keuken binnen. 'Godver. Godver. Die schijterds van een onderburen hebben de politie weer gebeld. IEDEREEN: STEEK DE COKE WEG. COKE WEG! Weg! Jens, ga maar naar buiten, gij.'
Verdwaasd voelt Jens ineens de warme, kleine hand van een meisje rond de zijne. Het meisje van de wodka? Dat moet wel. 'Kom,' zei ze. 'Ge zijt een beetje zat.' Dat is lief van haar, denkt hij, of zegt hij misschien, want zij lacht en zegt 'ge zag er zo verloren uit.' Hoe weet ze dat, dat is wel bijzonder, misschien is ze wat ze zo melig een soulmate noemen, kan dat? Nu, zomaar, ineens? Of is ze ook gewoon weer een meisje zoals alle andere meisjes, met zachte heupen die meegeven als je ze in je handen neemt en kleine kreetjes van ja en nee of toch wel.


IV.

'Ik weet wie gij zijt, denk ik.'
'Ah, ja?'
Ze staan op een dansvloer, ze veegt zweet van haar voorhoofd en gebaart ontevreden naar het housenummer dat begint te dreunen.
'Ja. Gij zijt die schrijver. Maar denk nu maar niet dat ik onder de indruk ben, hoor. Zo makkelijk ben ik niet.'
Ze dansten net zo lekker. Nu moet er een repliek komen. Snedig. Eh, snédig.
'Ik ben ook niet zo makkelijk.'
'Goed zo. Nu ja, ik vind uw boeken niet slecht, per se. Maar uw vrouwelijke karakters. Daar is nog werk aan. Vind ik.'
Dié kritiek weer. Hij kan een klein concertzaaltje vullen met de wijven die commentaar hadden op zijn vrouwelijke personages. Maar ze is wel echt mooi, zeker nu, zo met slordige bezwete haren.
'Ja, dat zeggen er nog. Maar ik denk dat gij mij echt iets kunt leren, over de vrouwen.'
En dan komen de inderdaad de zachte heupen en de kleine kreetjes van ja en nee of toch wel. In een donker hoekje van het café dat hij zich zelfs niet meer kan herinneren te zijn binnengegaan. Hij kust haar, drukt haar tegen de muur en steekt zelfs een paar vingers in haar. Plompverloren, omdat hij het wil en kan. Klara is zoals gewoonlijk een nasmaak van een vage herinnering, net zoals de paniek.


V.

In het grauwe, trillerige licht van de tl-buizen op de spoedafdeling van het ziekenhuis wacht een handjevol trieste figuren op medische bijstand. Jens kijkt nerveus om zich heen. Een Marokkaan met een blauw oog kermt onophoudelijk. Een zwangere vrouw met gezwollen enkels als berenpoten, een bejaarde man die godverdomme niets lijkt te mankeren. Aan dit tempo zit hij hier 's middags nog. Hij snuffelt afwezig aan zijn vingers, de ziltige geur is er nog steeds.

Een verpleegster schudt hem bruusk uit zijn stille paniek en voert hem naar een achterafkamertje waar een dokter zit. Zijn hoofd staat op ontploffen, zijn darmen voelen aan alsof ze compleet gedesintegreerd zijn.
'Gaat u zitten. Wat is er aan de hand?'
'Wel. Eh. Ik ben..bang. Bang dat ik ziek ben.' Jens probeert het uit te leggen. Hoe doodsbang hij is voor de ziekte. Hoe zeker hij is dat hij het heeft. Dat hij een test wil. Nu.
'Meneer, u begrijpt dat we niet zomaar iedereen kunnen testen. Dat kost geld, geld van de gemeenschap. Hoe zou u besmet zijn geraakt? Welk risicogedrag heeft u vertoond? Heeft u symptomen?'
'U, u begrijpt me verkeerd. Ik moet echt getest worden.'
Hij toont zijn vinger.
'Kijk, eh, een sneetje.'
De dokter buigt zich voorover, naar de vinger.
'Ja, een heel oppervlakkig wondje. Gaat niet dieper dan de lederhuid. Zo krijgt niemand ziektes. De echt vraag hier is: heeft u vaak losse seksuele contacten?”
'Ja, nogal.'
'Heteroseksueel?'
'Ja, maar,'
'Condooms?”
'Ja. Altijd. Maar.. dat schuift soms, een beetje...en dan...'
Een beginnende lach op het gezicht van de dokter verandert in een geërgerde frons.
'Meneer. Ik heb het druk. U behoort niet tot de risicogroep. Als u echt een test wil, gaat u morgen maar naar de huisarts.'
'Maar...'
Hij toont zijn vinger nog een keer.
'Mijnheer. Dat is geen snee. U heeft geen HIV. U hoeft niet getest te worden. Kijk...'
Hij keek hem meewarig aan.
'Ik schrijf kalmeringspillen voor. Wanneer u paniek voelt opkomen, slikt u er eentje. En als dat niet helpt...'
Hij rommelt in zijn lade en graaft een visitekaartje op.
'Belt u naar dit nummer. Een uitstekende psycholoog. Fijne dag verder.'

Jens' stapt met een tollend hoofd het ochtendlicht in, bevrijd, gezuiverd. Hij is weer eens ontkomen aan de moderne straf van God-die-niet-bestaat, de straf voor de overspeligen met epische pech. Hij waant zich een godenkind, een godenkind dat snakt naar de stem van zijn liefje. Even Klara bellen...

woensdag 7 mei 2014

Ja?

'Wij hebben een open relatie,' zei ze trots en sipte van haar biertje. Want trots was ze, hé, hoe bijzonder en libertijns was dat wel niet, zeg. Om zijn reactie te zien moest ze haar hand tegen de zon ophouden. Ook hij sipte van zijn bier maar proestte een beetje. Ze kon niet goed inschatten of dat van verbazing was, of gewoon per ongeluk.

'Een open relatie? Hoe oud was je ook alweer?'
'Vierentwintig. Waarom?'
'Omdat het veel verklaart. Ja. De naïviteit van de jeugd. Later ga je wel merken dat zoiets gewoonweg niet kan. Of je neukt in het rond, of je blijft bij je geliefde.'
'Maar, ik vind het net mooi. Dat het wel kan. Dat je jezelf en je lelijke jaloezie opzij kan zetten en...'
'Luister. Het soort liefde dat je wil krijgen van je geliefde, is onverenigbaar met scheefpoeperij. Of tenminste, met openlijke scheefpoeperij. Die dingen zitten elkaar gewoon in de weg.'
'Maar...'
'Ja, mensen willen het zo graag, hé. Polyamorie, noemen ze het. Polyamorie. Mijn voeten! Nee, ik zeg het met scheefpoeperij kom je alleen maar weg als je handig bent en het kan verzwijgen. En nu ga ik pissen.'

Het plafond van de toiletten moest wel ongewoon boeiend zijn, zo lang staarde hij er naar, de nog nadruppelende lul in beide handen. Wat een tegenvaller.
Ze had nochtans zo lang en intens naar hem zitten staren op de tram, dat ze wel geïnteresseerd moest zijn. Alleen daarom had hij haar aangesproken en een drankje op een terras aangeboden. Om de eerste lentedag te vieren, had hij gezegd.
Want zo mooi was ze nu ook weer niet. Met die scheve tandjes en dat hele kleine buikje dat zich in haar bloemenjurk aftekende. Maar haar grote ogen en leuke blonde haar duwden hem uiteindelijk toch over het randje. Bovendien, verbale handigheid moest je onderhouden.

Ze had haar moed en argumenten verzameld en zat klaar om haar punt te maken. Niets had hij er van begrepen. Daarna wilde ze opstaan, haar bier zelf betalen en wegwandelen – een klein beetje heupwiegend, gewoon omdat het kan.
'Mag ik gewoon uitleggen waarom ik, wij, waarom het voor ons wel werkt?'
'Dat mag. Maar maak je vooral niet te moe.'
De uitleg zat meteen klaar en hoe vaak ze hem ook gaf, ze bleef er van genieten om haar eigen stem de woorden ' ultieme generositeit', 'loslaten', 'verrijking op elk gebied, en zeker seksueel' te horen uitspreken. Ze stelde zich graag voor hoe ze daar zat, een denkbeeldige camera zoomde op haar in, ze speelde in een auteursfilm die over échte relaties ging maar tegelijk ook een beetje grappig was.
Hij onderbrak haar. 'Dus je gaat nu gewoon met mij mee naar bed, ja?'

Ze werd rood, sputterde, ademde en zette haar biertje neer. IJzig kalm stond ze op en heupwiegde ze, nee schrééd ze weg, of dat is toch wat ze in de auteursfilm zou doen.  

zondag 13 april 2014

Af.

“Mijn moeder stopt me een legosetje toe. De brandweerman die ik al zolang wilde, die met zijn stoere wagen – met een echte, uitrolbare blusslang. Omdat ik zo flink was geweest, zei ze. Het was moeilijk om blij te zijn, de pijn overstemde alles. Alsof iemand kleine brandende naaldjes in me stak, die onderhuids ronddraaide en op en neer liet bewegen.
'Wat een mooi piemeltje heb jij, had de dokter gekird, een grote blonde vrouw in een witte jas. Waarom zei ze dat? Haar stem maakte me bang. 'Ik heb al heel veel kleine piemeltjes gezien, maar dat van jou is echt het aller, allermooiste, tot nu toe. En weet je wat? We gaan het nog een beetje mooier maken. Want nu zit er een velletje rond, zie je, zei ze en schoof een houten spateltje, precies hetzelfde brede spateltje dat ze de vorige keer in mijn keel had gestoken toen ik aa moest zeggen, tussen mijn voorhuid, mijn te strakke voorhuid en mijn kleine weke eikel.

Toen wist ik nog niet hoe die dingen heten, maar ik voelde wel hoe onaangenaam dat was. De spatel was te groot, ze vloekte, pakte mijn voorhuid tussen twee gehandschoende vingers, en wrikte het houten stokje er onder. Het voelde alsof ze er een hele plakkerige kauwgum van tussen haalde, een half natte kauwgum, draderig, krampachtig zuigend om het velletje weer naar beneden te krijgen.

'Kijk, dat velletje, dat is echt veel te strak.'


Krijsen deed ik niet, denk ik. Maar als ik er nu aan terug denk, ga ik al zachtjes kreunen van ongemak, dus ik moét toen wel pijngeluidjes hebben gemaakt. Toch hield mijn moeder haar hoofd de hele tijd afgewend. De dokter weet wat het beste voor je is, had ze gezegd in de wachtkamer. Dat wist ik niet meer zo zeker, toen de dokter met die spatel in de weer was, maar ik durfde niet protesteren.
'Tja, het is precies wat ik u al aan de telefoon vertelde. Zullen we het nu dan maar ineens doen, het snijden, in een twee drie is het gepasseerd,' de dokter gooide de spatel in een vuilnisbakje en draaide zich naar mijn moeder. Die knikte alleen maar, en vroeg een beetje beschaamd of de ziekenkas zeker terugbetaalde. 'Natuurlijk, natuurlijk. Op een halfuurtje staan jullie weer buiten.'”


Dat is waar hij mee aan kwam zetten. Na een week vol ruzie over zijn problemen en mijn problemen en hoe onze problemen blijkbaar niet harmonieus konden samenvloeien, maar elkaar alleen maar doen aanzwellen. En ruzietjes over de afwas, rondslingerende onderbroeken en mijn neiging tot overdrijven, dat ook. Ik was ver van hem weggedreven, die week. Maar dat zou ik nooit toegeven, nee, daarvoor was mijn onderhandelingspositie als onvoorwaardelijk liefhebbende veel te sterk.

Hij had zich twee dagen teruggetrokken, om "lucht in zijn hoofd te blazen", en stond nu met dat verhaal in mijn woonkamer. Hij vertelde het vast minder prozaïsch dan ik nu, al is hij best welbespraakt, daarom vind, vond, ik hem ook zo pijnlijk leuk, maar dit is hoe ik me het herinner. Door dat gedoe over dat lego- brandweermannetje, vreesde ik eerst dat zijn verhaal de oedipale kant op zou gaan. Maar die levendige beschrijving van die brute dokter die aan zijn kleine piemeltje zat, die zelfs mij, penisloze, deed rillen van ongemak, had ik niet zien aankomen. Hij praatte niet vaak over zijn penis, zelfs niet wanneer ik hem opgewonden toefluisterde dat ik nooit meer zou willen ruilen. Zijn trotse, helemaal tot aan de eikelrand besneden penis met zijn mooie welvingen, voor zo'n slappige tuit met een zakje er over? Nee dank je. Ik meende dat, ik was oprecht gefascineerd en wilde er alles over weten. Hoe, wanneer, waarom? En hoe zat het met dat gevoel? Waren die minuscule schubjes op zijn donkere eikel eelt? Maar hij hield telkens de boot af.

Toen hij eindelijk uit zichzelf begon te praten, wist ik ineens ook niet meer hoe te reageren. "O. Kan je je de operatie nog herinneren? Deed het veel pijn?" Iets beters kon ik niet bedenken. Bleek dat die dokter, ze was nog erger dan ik had gedacht, hem niet eens onder volledige narcose had gebracht. Eerst had ze zijn armpjes en beentjes vastgebonden aan haar doktersstoel, daarna had ze hem plaatselijk verdoofd. Hij moet zo bang geweest zijn, en zich zo alleen hebben gevoeld. Ik stelde me zijn zesjarige versie voor en warmde weer een beetje op voor hem.


“Het besnijden zelf was denk ik te erg, ik herinner me niet zo veel meer. Toen deed het ook nog geen pijn. Dat begon pas toen ik thuis was. Ik zat in de zetel, naast mijn broer, en ineens moest ik pissen van de pijn. Toen mijn moeder me verschoonde, zag ik mijn penis. Het was vreselijk, hij was zo dik, en paarsig, glanzend, en er zaten vette, zwarte draadjes in. Ik dacht dat hij er af zou vallen, ik was er zéker van dat hij er af zou vallen. De dag na dat pissen kreeg ik de brandweerwagen. Ik heb er nooit mee gespeeld.

Slapen was ook vreselijk. Mijn moeder had een soort van kartonnen doosje meegekregen van de dokter, daar moest mijn penis 's nachts in, omdat zelfs de aanraking met het allerlichtste laken zo gruwelijk was. 'Je piemeltje moet rustig slapen in zijn huisje', zei mijn moeder elke nacht. Rustig slapen! Om het uur werd ik angstig wakker, waarschijnlijk te veel bewogen en de rand van het huisje geraakt. En telkens moest ik kijken of hij er nog aan zat. Ik weet nog goed dat ik op een bepaald moment hoopte dat hij er effectief af zou vallen. Dan zou ik tenminste niets meer voelen, dacht ik.”


"Ocharme," zei ik oprecht. 'Dat moet griezelig geweest zijn, voor zijn klein mannetje. Maar alles is toch netjes genezen, uiteindelijk?'
Hij bleef stil. En stil. Ik wist dat ik hem niet mocht opjutten, want hij 'was een persoon die graag zijn tijd nam om goed na te denken over zijn antwoord.' Maar het was sterker dan mezelf. "Toch?" probeerde ik nog.
“Toch, ja, toch. Maar hoe het echt was, dat kan jij niet weten. Mijn eikel was veilig en warm. En van de ene dag op de andere is het een blootgelegde zenuwknoop geworden. Ik heb geleerd te doen alsof dat niet zo is, en de zenuwknoop is ook verhard. Maar tegenwoordig weet ik het zeker. Of toch alsmaar zekerder. Ik weet waarom ik niet bij jou kan zijn. Die dokter heeft meer dan alleen mijn voorhuid afgeknipt.”

"Sorry," zei hij nog, en hij ging naar buiten. En ik kon alleen maar denken dat ik nu begreep waarom hij uren achtereen kon vrijen, met zo'n lege blik in zijn ogen.