dinsdag 29 juli 2014

Opgeslokt.

'O, wat héérlijk hier,' zei mijn Nederlandse vriendin die een jaar in de Tanzaniaanse bled woonde en nu weer terug is in de Lage Landen. We waren samen op de Gentse Feesten. 'Dit soort plekken heb ik daar zo gemist,' zei ze, terwijl we door het volle Baudelopark kuierden, het zoveelste pintje in de hand, de obligate weedwalm in onze neusgaten. We hadden net als gekken gedanst op tamelijk funky jazz en we waren toe aan verkoeling.
Ze keek om zich heen, naar de krioelende mensen, de in het gras gezeten mensen, de drankjes kopende mensen, de halfslachtig wiegende mensen. 'Hé, het is zo jammer dat de plekken die ik leuk vind, zo blànk zijn,' zei ze, en plots zag ik het ook. Pijnlijk hard viel het op dat het me nooit eerder was opgevallen. Haar blik was waarschijnlijk veranderd door haar verre jaar, maar nu ik haar ogen even had geleend kon ik het niet meer ontzien. De volkomen bleekheid van de massa, die zo veel bleker was dan de bewoners van de Gentse straten even verderop. Hoe makkelijk het was om onopvallend en onbewust te verdwijnen in de kudde van je eigen kleur. Je stapt er in en je wordt er zo door opgeslokt. Bijna vergaloppeerde ik me in allerhande analyses over de witheid van de culturele sector, die steeds maar de handen in de lucht gooit en 'we vinden ze écht niet' zucht, maar ik had geen zin om hout te zitten snijden.

De volgende nacht waren we beschonken. Zonder nadenken stapten we zomaar een club binnen. De dansvloer zat verzonken in de bodem, je moest een trapje af wankelen om mee te doen. Alsof ik naar in ring van een hanengevecht uit een macho-film stapte. 
De muziek bonsde luid, het zweet druppelde haast uit de lucht. Ik bewoog mee met de deinende massa, links, rechts, op en neer, nu eens met de linker- en dan weer met de rechterarm, kont en bekken, op die organische, bijna mystieke manier van spontaan aangeschoten dansen. Heel langzaam daagde het me dat ik daar niét werd opgeslokt. 'Wat een interessante parallel met gisteren!' vond ik en meteen schaamde ik me voor de leegheid en banaliteit van die gedachte.


zaterdag 12 juli 2014

De vitrines

Clichés zijn moeilijk te overstijgen. We waren net ontkomen aan de vleeswording van alle Parijse clichés, Place du Tertre  - de arme obers daar tuigen zich elke werkdag weer op in het imaginaire plunje van de Franse plattelandsjongen, compleet met bretellen, doekje rond de hals en kek plat petje. Gelukkig moet je gewoon even langs de andere kant van de Sacré Coeur afdalen om in een andere wereld te stappen. Zo opgelucht waren we dat we de zondagskunstenaars en Amerikaanse toeristen achter ons hadden gelaten, dat we het op een vrolijk zuipen zetten in café Muller. Een bruine kroeg met alleen échte Parisiens uit alle windstreken, een ondernemende Algerijnse barman en bier aan redelijke prijzen. O, en gratis zoute pinda's, die een vicieuze cirkel van graaien en drinken en graaien en drinken in gang zetten. Een jazzband met een enorme bombardon bezette de helft van het café, luisteren kon maar hoefde niet. 'Dit is nu Parijs,' zeiden we tevreden 'omdat het zo on-Parijs is.'

We voelden ons thuis in café Muller en bleven hangen tot het sluitingsuur. De barman was benieuwd naar die troep Belgen en die enkele Nederlandse die in zijn buurtcafé waren neergestreken. Omdat de Belgische voetbalploeg een paar dagen eerder tegen zijn thuisland Algerije had gespeeld, diste hij een paar sterke voetbalverhalen op. 'Maar,' zei hij toen zijn kennis over het voetbal was uitgeput, 'België! Ik hou van België.' 'Ik ook,' zei een tooghanger. Jullie staan bekend om vier dingen.' 
'Vier goede dingen,' zei de Algerijnse barman en hij telde op zijn vingers. 'Mosselen friet. Bier – ja, ik drink ook bier. En chocola.' Hij bleef steken op drie vingers. 'En het vierde?' wilden we weten. Hij giechelde. De tooghanger lachte ook. 'Ja, dat weten jullie toch? Nee? De vitrines, natuurlijk! Bruxelles-Nord! Dat hebben wij hier niet.' 
Had de barman onze befaamde vitrines waarvan we niet eens wisten dat ze zo berucht waren, bezocht? - dat wilden we graag weten. Hij zweeg even en keek naar zijn tapkast. 'Tgo, ik ben gaan kijken. Maar ik heb niets gedaan, hoor. Weet ja, al de meisjes kwamen uit het Oosten. En ik zocht een Arabische.' Hij glimlachte. 'Maar het bier in Brussel was heerlijk. Net zoals de mosselen-friet.' We lachten medeplichtig en bestelden nog een laatste biertje. Ik denk niet dat we er in slaagden om zijn Belgen-clichés bij te sturen.  

zaterdag 5 juli 2014

Viola

'Wie ben ik? Waar ben ik? Waar ga ik naartoe?' dat zijn de vragen die videokunstenaar Bill Viola in zijn werk wil behandelen. Niet om er een sluitend antwoord op te geven, maar 'om ons te confronteren met die oudste mysteries van het bestaan', volgens de in taaie curatorentaal opgestelde introductie tot zijn retrospectieve in het Grand Palais.

Die tekst vergat ik meteen toen de donkere expositieruimtes me opslokten. Sommige video's lijken op de verwarrende net-niet-echt-dromen uit je je halfslaap. 'Nine Attempts to Achieve Immortality' is dan weer een zelfportret dat aan de ribben blijft kleven. Letterlijk. Viola ademt negen keer diep in om zijn adem daarna in te houden – en als toeschouwer ga je ondanks jezelf meedoen. De hele video uitkijken is een uitputtingsslag.
De verwijzingen naar de kunstgeschiedenis zijn in Viola's werk nooit ver weg. 'The Quintet of the Astonished' kan zo een detail zijn uit een passieschilderij van een Vlaamse primitief, dat zachtjes evolueert naar grimassen in close-up à la Bosch.

Zo dwaal ik van de ene donkere zaal naar de andere en raak ik zoetjesaan overgeprikkeld. Ik struikel bijna over de benen van een suppoost, die me met een zaklamp in het gezicht schijnt. Het prototype van de Parijse museumbewaker: groot, zwart en strak in het pak. Beleefd wijst hij me de weg naar het vervolg van de expositie 'daar beneden, dat is mijn favoriete deel.'
Denis heet hij, en hij vindt het werk best interessant. 'Al heb ik geen idee waar het eigenlijk over gaat. Over het leven? Ik weet het niet hoor, ik vind die video's gewoon mooi om naar te kijken.'
Vond, corrigeert hij zichzelf. 'Ondertussen heb ik het al wel gezien. Het is hier zo donker. Ik kan niet wachten om weer naar te buiten te kunnen, de zon in.'

Ik verken Denis' favoriete deel van de tentoonstelling, waar de meest epische video's te zien zijn. Beelden van omgekeerd stromend water, woekerende vlammen en dwalende groepen van eenlingen. Viola's werk zet de poorten van mijn perceptie wagenwijd open maar is tegelijk een aanslag op mijn zintuigen. Ik snak er ook naar de zon in te gaan.  



maandag 30 juni 2014

Folle

'Tiens, là, toi. Il faut que je te parle.'
Ik had onraad moeten ruiken maar reageerde argeloos met het beleefde 'ja?'- geluidje dat ik reserveer voor fondsenwervers en andere onheilsprofeten.
Een vergissing, merkte ik algauw. De lange brede man wilde geen fondsen werven. Zijn doel was wel om mij te bekeren, om met hém mee te gaan, eerst op café zodat we elkaar beter konden leren kennen, maar dat drankje konden we ook overslaan, ik was ook welkom bij hem thuis om hem nòg beter te leren kennen, als ik begreep wat hij bedoelde.
Doorstappen leek me een goed idee, me laten opslokken door het drukke Parijse metrostation waar ik ronddwaalde. Maar ik bleef het zachte geruis van zijn wijde hiphoppersoutfit horen. Af en toe blies hij lucht door een een spleetje in zijn tanden. 'Tsjiiit', klonk het. 'Allez, ma belle.'
Hij greep mijn arm vast, die ik van me afschudde. Ik bleef doorstappen, steeds sneller, in de richting van de 'sortie'- bordjes - maar waar was ik eigenlijk? Die doelloosheid wist ik ondanks mijn haastige pas niet goed te verbergen. 'Tu vas où, ma belle? Tu ne connais pas Paris?' Ik moest hem maar volgen, hij kon me zo veel leuke plekken tonen! We zouden het zo fijn hebben samen.
Helder denken werd een beetje moeilijk, maar ik voelde hoe nerveus ik was. Hij was veel te dichtbij, langer dan tien minuten al zag ik op de klok van mijn telefoon die ik uit mijn tas opgroef. Ik had het koud maar voelde een zweetdruppel uit mijn oksel lopen, traag langs de binnenkant van mijn blote bovenarm. De broodjeszaak die ik daarnet al was voorbij gelopen, verscheen nu plots aan mijn rechterkant. Dat betekende dat ik rondcirkelde in die enorme ondergrondse ruimte, als een zottin. Geen wonder dat hij achter me aan bleef stappen.
'Tsjiiit.'
'Je vais crier,' zei ik. Krijsen leek plots en zomaar een goed idee maar hij lachte me uit. Dat gaf de doorslag. Ik hield halt in een brede gang van Châtelet, draaide me naar hem toe, balde mijn vuisten als een kwade kleuter en gilde tot mijn keel rasperig aanvoelde.

Mensen zouden me bezorgd aanraken en vragen of ik hulp nodig had, dacht ik tijdens die schreeuw die eindeloos aanvoelde. Dat viel dik tegen. 'Elle est folle!', hoorde ik een oude vrouw meewarig zeggen tegen haar vriendin. Ze keken me afkeurend aan. Dat pikte ik niet, ik holde hen achterna. 'Ik ben niet gek!' riep ik, niet beseffend dat ook echte gekken dat doorgaans even stellig beweren.
'Die man achtervolgt me.' Ik wees naar mijn kwelgeest, die me nu niet meer volgde maar verbijsterd stond te lachen.
'C'est vrai? En je kent hem niet?'
'Ik heb hem nog nooit gezien! Hij loopt al een kwartier achter me aan, en ik vind de uitgang niet.'
Nu leken ze wel overtuigd van mijn geestelijke gezondheid. 'Suivez-nous alors,' zei ze. Snel stapte ik met hen mee, in de richting van het daglicht.
'Pardon hoor,' zei ze nog, 'maar Parijs zit vol gekken.'

Met dank aan: http://www.deburen.eu/nl/parijs





vrijdag 27 juni 2014

Parijs.

Ik vertrek zondag naar Parijs. Samen met een troep jonge mensen, we reizen met de trein en slapen op piepkleine kamertjes in een groot, oud gebouw. Klinkt een beetje als een zomerkamp.
Ik zit op de grond, tussen een half ingepakte tas vol kleren, tubes zonnecrème en een tekort aan gewassen ondergoed, en ik denk terug aan de vorige en enige keer dat ik op zomerkamp vertrok.

Vijftien was ik en ik schreef dagboeken vol over de grote wereld vol barbaren en jongens die me niet wilden kussen. Op kamp gaan associeerde ik met overenthousiaste monitoren, tjokvolle en muffige slaapzalen, al te vrolijke stapliederen en een roedel pubers in wiens hiërarchie voor mij geen plaats zou zijn. Toch vertrok ik die zomer naar Spanje, met de Christelijke Mutualiteiten. Elk jaar in september kwamen mijn klasgenoten terug met wilde verhalen over hun CM-zomer, ze vertelden over spannende droppings, eerste pintjes en gewriemel in het donker, knappe monitoren, fuiven en frietjes. Ook de puisterige types die op school niet populair waren, hadden er de tijd van hun leven en dat stelde me gerust. Misschien moest ik me ook maar inschrijven, misschien zou ik daar, in het verre Spanje, wel gekust worden door een jongen uit een andere provincie die niet wist hoe ik op school soms mijn boterhammen opat in de toiletten omdat ik geen zin had in de hortende gesprekken met de weinige tafelgenoten waaruit iemand als ik kon kiezen.

Mijn ouders waren opgelucht dat mijn sociale ontwikkeling dan toch op gang was gekomen en ik stapte de bus op met hoge verwachtingen. Die al meteen een beetje genekt werden: er schalden lollige liedjes door de bus en iedereen leek ze te kennen. Om redenen die ik nu ongetwijfeld pretentieus zou vinden wilde ik absoluut niet meezingen. Die liedjes zetten mooi de toon voor de komende twee weken. Ontkomen aan de groepsactiviteiten werd een doel op zich, een sport die ik samen met een ander meisje tot in de perfectie onder de knie kreeg. Dat hoopten we toch, maar dat ook onze gewiekstheid een illusie was, werd pijnlijk duidelijk toen twee kwade monitoren met zaklampen ons wegsleurden uit de bar van het dorpje dat aan ons kampement grensde. We hoorden de Spanjaarden in de bar, spannende, harige mannen die minstens twintig waren, gniffelen. Onaangeroerd stonden twee witte Martini's op de toog, in onze ogen het toppunt van wereldwijsheid.

Godzijdank is mijn minachting voor groepsactiviteiten gemilderd en ga ik nu naar Parijs om precies te doen wat de stad me ingeeft, in het gezelschap van mensen met soortgelijke plannen.



maandag 16 juni 2014

Godenkind

I.

Het komt zoals gewoonlijk onverhoeds opzetten.
Jens haalt zijn portefeuille boven om sigaretten te betalen en de paniek beukt hem keihard in het middenrif. Hij laat de sigaretten liggen en wankelt naar buiten. Botst nog tegen de deurlijst aan en hurkt neer op de stoep, tegen een groezelige muur. De vage pislucht ruikt hij niet.

De Pakistaanse winkeleigenaar komt hem achterna gelopen, zwaaiend met zijn portefeuille. Jens neemt hem zwijgend aan, voor een bedankje ademt hij te jachtig. Hij wil zich vermannen, maar dat duurt even. Zijn brein moet begrijpen dat zijn lichaam liegt. “Alles gaat goed, alles komt goed, alles blijft goed, alles is goed. Adem. Alles..”
Dan gaat het weer. Het brein begrijpt het. Hij gaat de winkel terug binnen en koopt de sigaretten alsnog. De Pakistaan glimlacht alsof er niets aan de hand is. Het hoofd van wat waarschijnlijk zijn vrouw is, verschijnt net boven de toog. Ze staart naar een tv-schermpje, een Bollywoodfilm.
“Een prettige nacht nog, jullie,” geeft Jens zich een houding. Niemand kijkt op van het scherm.


II.

Een vrijdagavond in mei en de stad zindert van blijde verwachting. Er zal uitgegaan worden vannacht, gedanst, gedronken en gevreeën! gillen de korte rokjes van de jonge meisjes op straat.
Brillemans weet hoe hij feestjes moest geven, vindt Jens. De juiste muziek, de goede mensen en een zekere nonchalance. In heel Brillemans' appartement zijn nog geen twee dezelfde glazen te vinden. Verdomme, hij had drank moeten kopen, in de nachtwinkel. Door het woord “nachtwinkel” smaakt hij even het ijzerachtige van angst, diep in zijn mond. Hij slikt het door.
Net wanneer hij in gedachten het laatste hoofdstuk van zijn boek aan het schrijven is – in werkelijkheid heeft hij er nog vijf te gaan, maar de andere vier slaat hij voor het gemak maar over – rinkelt zijn telefoon. Het schelle geluid doet hem een beetje ineenkrimpen, de naam op het schermpje knijpt zijn longen dicht. Hij moet zich razendsnel vermannen, nu meer dan ooit. Hapt naar lucht en ademt nu belachelijk snel. Beter dan stikken, denkt hij, en neemt op.

Héé jij mannetjesdier.” de vertrouwde stem van Klara, zijn liefje. Ze loopt stage bij een Berlijnse uitgeverij.
Hé! Schoonheid! Zeg het eens.” Hij ademt nog steeds te snel maar hoopt dat het lijkt alsof hij stevig aan het wandelen is.
Alles goed,” vraagt ze.
Ja hoor, slechte verbinding. Ben op weg naar Brillemans. Hoe is het?”
Geweldig! En je boek? Soit, ik bel niet om te kletsen. Ik heb morgen vrij gekregen. Zomaar. Ik heb een vlucht geboekt. Thuis?”
Natuurlijk ben ik thuis morgen, zwoegend, ploeterend in het zweet mijns aanschijns, alleen achter mijn bureautje. En ik neem alleen maar pauze om op droog brood te knabbelen. En op u.”
Goed. Geweldig. Ik kom u mijn lichaam aanbieden, rond twee uur in de namiddag.”
Ja. Doe dat maar. Tot snel.. euh. Ik kijk er. Eh, naar uit.”

Daar is het weer, hij weet het en heeft het, alles welbeschouwd, verdiend. Jens hurkt maar alvast neer. Hij moet het maar even laten gebeuren. De hele routine: de fysieke voortekenen – snel ademen, duizeligheid, verhoogde hartslag – en dan de gruwelijke visioenen. De zekerheid van nakende verderf. Het besef dat hij gehaat zal worden. Veracht, uitgespuwd door Klara en al zijn vrienden. En dan het zelfmedelijden. Waarom hij, waarom zo'n epische straf? Voor wat hij maar mispeuterd heeft. Hij heeft zelfs niets mispeuterd. Of toch nauwelijks, en zijn intenties waren nooit slecht. Uiteindelijk haalt die idiote mantra weer de bovenhand. “Alles gaat goed, alles komt goed, alles blijft goed, alles is goed. Alles gaat goed, alles komt goed, alles...” Jens gelooft het niet, niet echt, maar het uitspreken van die woordenreeks verdooft zijn gedachten.

Hop! Op naar het feestje.


III.

De muziek schalt al uit de ramen van Brillemans' flat. Zijn echte naam is Joris Verstraete, maar die vindt hij te gewoontjes. Het gekke ronde brilletje dat hij al jaren draagt is zijn handelsmerk, zijn hele identiteit.
Jens zwaait de deur van de flat open en maakt een geweldige entree door meteen een fles wijn vast te grijpen en een brallerige toast op Brillemans uit te brengen. De rest van de gasten houdt even op met praten, drinken of dansen en toast lachend terug. Uit die erehaag van smoezelige glazen verschijnt Brillemans, met open armen Jens pletst hem een paar keer joviaal op de brede rug. Hij maakt zich snel weer los, er zijn nog meer gasten die zijn aandacht verdienen.

Hij praat en danst – met meisjes in korte rokjes, meisjes in kuise retrojurkjes en meisjes in strakke jeansbroek. Jens zuipt ook, wijn vooral, maar ook gin-tonic en wodka. De keukentafel is een woud van flessen, meegebracht door gasten die attenter zijn dan hij. Op een hoekje van de tafel ligt een klein spiegeltje. Er is dus coke, weet hij, maar vanavond niet, niet voor hem. De wazige roezige alcoholnevel, dat is wat zijn hoofd wil, niet aan de scherpe haast van coke.
Na een paar uur danst hij zelfs met een mannen, wat maakt het ook uit. Zijn komische tango, harkerig en elegant tegelijk, met zijn vriend Pieter, een biologische stadslandbouwer die bij gelegenheid mondharmonica speelt, maakt ophef. Mensen juichen en applaudisseren.

Een beetje wankel stommelt hij daarna richting keuken “effe verkoeling zoeken.” Hij hurkt voor de koelkast en contempleert de mogelijkheid zijn hoofd er maar ineens in te steken.
'Hee, auw!'
'O sorry. Ik had u niet gezien. Gek, want ge zijt mooi genoeg. Ik ben op zoek naar iets sterkers dan wijn. Weet gij waar Brillemans zijn wodka verstopt?'
Het meisje was inderdaad mooi genoeg. Ze trok misprijzend een goed gevormde wenkbrauw op, maar haalde toch een fles wodka van achter uit een kast vol conservenblikken en koekjes.
'Hier, uit de geheime voorraad. Salut!'
Ze dronk meteen van de tuit en gaf Jens de fles door. Hij veegde de flessenhals af met zijn mouw en nam ook een slok.
'Zijt ge vies van mij?' vroeg het meisje.
'Nee, nee, ik, ben gewoon...eh morgen is een belangrijke dag. Kan niet verkouden worden.'
'Aha'

'De politie! DE POLITIE'
Brillemans rent de keuken binnen. 'Godver. Godver. Die schijterds van een onderburen hebben de politie weer gebeld. IEDEREEN: STEEK DE COKE WEG. COKE WEG! Weg! Jens, ga maar naar buiten, gij.'
Verdwaasd voelt Jens ineens de warme, kleine hand van een meisje rond de zijne. Het meisje van de wodka? Dat moet wel. 'Kom,' zei ze. 'Ge zijt een beetje zat.' Dat is lief van haar, denkt hij, of zegt hij misschien, want zij lacht en zegt 'ge zag er zo verloren uit.' Hoe weet ze dat, dat is wel bijzonder, misschien is ze wat ze zo melig een soulmate noemen, kan dat? Nu, zomaar, ineens? Of is ze ook gewoon weer een meisje zoals alle andere meisjes, met zachte heupen die meegeven als je ze in je handen neemt en kleine kreetjes van ja en nee of toch wel.


IV.

'Ik weet wie gij zijt, denk ik.'
'Ah, ja?'
Ze staan op een dansvloer, ze veegt zweet van haar voorhoofd en gebaart ontevreden naar het housenummer dat begint te dreunen.
'Ja. Gij zijt die schrijver. Maar denk nu maar niet dat ik onder de indruk ben, hoor. Zo makkelijk ben ik niet.'
Ze dansten net zo lekker. Nu moet er een repliek komen. Snedig. Eh, snédig.
'Ik ben ook niet zo makkelijk.'
'Goed zo. Nu ja, ik vind uw boeken niet slecht, per se. Maar uw vrouwelijke karakters. Daar is nog werk aan. Vind ik.'
Dié kritiek weer. Hij kan een klein concertzaaltje vullen met de wijven die commentaar hadden op zijn vrouwelijke personages. Maar ze is wel echt mooi, zeker nu, zo met slordige bezwete haren.
'Ja, dat zeggen er nog. Maar ik denk dat gij mij echt iets kunt leren, over de vrouwen.'
En dan komen de inderdaad de zachte heupen en de kleine kreetjes van ja en nee of toch wel. In een donker hoekje van het café dat hij zich zelfs niet meer kan herinneren te zijn binnengegaan. Hij kust haar, drukt haar tegen de muur en steekt zelfs een paar vingers in haar. Plompverloren, omdat hij het wil en kan. Klara is zoals gewoonlijk een nasmaak van een vage herinnering, net zoals de paniek.


V.

In het grauwe, trillerige licht van de tl-buizen op de spoedafdeling van het ziekenhuis wacht een handjevol trieste figuren op medische bijstand. Jens kijkt nerveus om zich heen. Een Marokkaan met een blauw oog kermt onophoudelijk. Een zwangere vrouw met gezwollen enkels als berenpoten, een bejaarde man die godverdomme niets lijkt te mankeren. Aan dit tempo zit hij hier 's middags nog. Hij snuffelt afwezig aan zijn vingers, de ziltige geur is er nog steeds.

Een verpleegster schudt hem bruusk uit zijn stille paniek en voert hem naar een achterafkamertje waar een dokter zit. Zijn hoofd staat op ontploffen, zijn darmen voelen aan alsof ze compleet gedesintegreerd zijn.
'Gaat u zitten. Wat is er aan de hand?'
'Wel. Eh. Ik ben..bang. Bang dat ik ziek ben.' Jens probeert het uit te leggen. Hoe doodsbang hij is voor de ziekte. Hoe zeker hij is dat hij het heeft. Dat hij een test wil. Nu.
'Meneer, u begrijpt dat we niet zomaar iedereen kunnen testen. Dat kost geld, geld van de gemeenschap. Hoe zou u besmet zijn geraakt? Welk risicogedrag heeft u vertoond? Heeft u symptomen?'
'U, u begrijpt me verkeerd. Ik moet echt getest worden.'
Hij toont zijn vinger.
'Kijk, eh, een sneetje.'
De dokter buigt zich voorover, naar de vinger.
'Ja, een heel oppervlakkig wondje. Gaat niet dieper dan de lederhuid. Zo krijgt niemand ziektes. De echt vraag hier is: heeft u vaak losse seksuele contacten?”
'Ja, nogal.'
'Heteroseksueel?'
'Ja, maar,'
'Condooms?”
'Ja. Altijd. Maar.. dat schuift soms, een beetje...en dan...'
Een beginnende lach op het gezicht van de dokter verandert in een geërgerde frons.
'Meneer. Ik heb het druk. U behoort niet tot de risicogroep. Als u echt een test wil, gaat u morgen maar naar de huisarts.'
'Maar...'
Hij toont zijn vinger nog een keer.
'Mijnheer. Dat is geen snee. U heeft geen HIV. U hoeft niet getest te worden. Kijk...'
Hij keek hem meewarig aan.
'Ik schrijf kalmeringspillen voor. Wanneer u paniek voelt opkomen, slikt u er eentje. En als dat niet helpt...'
Hij rommelt in zijn lade en graaft een visitekaartje op.
'Belt u naar dit nummer. Een uitstekende psycholoog. Fijne dag verder.'

Jens' stapt met een tollend hoofd het ochtendlicht in, bevrijd, gezuiverd. Hij is weer eens ontkomen aan de moderne straf van God-die-niet-bestaat, de straf voor de overspeligen met epische pech. Hij waant zich een godenkind, een godenkind dat snakt naar de stem van zijn liefje. Even Klara bellen...

woensdag 7 mei 2014

Ja?

'Wij hebben een open relatie,' zei ze trots en sipte van haar biertje. Want trots was ze, hé, hoe bijzonder en libertijns was dat wel niet, zeg. Om zijn reactie te zien moest ze haar hand tegen de zon ophouden. Ook hij sipte van zijn bier maar proestte een beetje. Ze kon niet goed inschatten of dat van verbazing was, of gewoon per ongeluk.

'Een open relatie? Hoe oud was je ook alweer?'
'Vierentwintig. Waarom?'
'Omdat het veel verklaart. Ja. De naïviteit van de jeugd. Later ga je wel merken dat zoiets gewoonweg niet kan. Of je neukt in het rond, of je blijft bij je geliefde.'
'Maar, ik vind het net mooi. Dat het wel kan. Dat je jezelf en je lelijke jaloezie opzij kan zetten en...'
'Luister. Het soort liefde dat je wil krijgen van je geliefde, is onverenigbaar met scheefpoeperij. Of tenminste, met openlijke scheefpoeperij. Die dingen zitten elkaar gewoon in de weg.'
'Maar...'
'Ja, mensen willen het zo graag, hé. Polyamorie, noemen ze het. Polyamorie. Mijn voeten! Nee, ik zeg het met scheefpoeperij kom je alleen maar weg als je handig bent en het kan verzwijgen. En nu ga ik pissen.'

Het plafond van de toiletten moest wel ongewoon boeiend zijn, zo lang staarde hij er naar, de nog nadruppelende lul in beide handen. Wat een tegenvaller.
Ze had nochtans zo lang en intens naar hem zitten staren op de tram, dat ze wel geïnteresseerd moest zijn. Alleen daarom had hij haar aangesproken en een drankje op een terras aangeboden. Om de eerste lentedag te vieren, had hij gezegd.
Want zo mooi was ze nu ook weer niet. Met die scheve tandjes en dat hele kleine buikje dat zich in haar bloemenjurk aftekende. Maar haar grote ogen en leuke blonde haar duwden hem uiteindelijk toch over het randje. Bovendien, verbale handigheid moest je onderhouden.

Ze had haar moed en argumenten verzameld en zat klaar om haar punt te maken. Niets had hij er van begrepen. Daarna wilde ze opstaan, haar bier zelf betalen en wegwandelen – een klein beetje heupwiegend, gewoon omdat het kan.
'Mag ik gewoon uitleggen waarom ik, wij, waarom het voor ons wel werkt?'
'Dat mag. Maar maak je vooral niet te moe.'
De uitleg zat meteen klaar en hoe vaak ze hem ook gaf, ze bleef er van genieten om haar eigen stem de woorden ' ultieme generositeit', 'loslaten', 'verrijking op elk gebied, en zeker seksueel' te horen uitspreken. Ze stelde zich graag voor hoe ze daar zat, een denkbeeldige camera zoomde op haar in, ze speelde in een auteursfilm die over échte relaties ging maar tegelijk ook een beetje grappig was.
Hij onderbrak haar. 'Dus je gaat nu gewoon met mij mee naar bed, ja?'

Ze werd rood, sputterde, ademde en zette haar biertje neer. IJzig kalm stond ze op en heupwiegde ze, nee schrééd ze weg, of dat is toch wat ze in de auteursfilm zou doen.